Home

Shadowdancer's reflecties

De ukkie verhalen
aantekeningen over de kinderen

De vakantieverhalen
Avonturen op vakantie

Priet en andere praat

Foto's

Contact

Naar de wereld der dromen

Zon en Maan

Boedapest

Na een ochtendje heen en weer sms-en met Rach spraken we af dat we elkaar dinsdagochtend zouden ontmoeten in Boedapest. Rach had gevraagd of we met de kinderen naar de dierentuin gingen, waarop onze reactie was: dierentuin, ja, da's eigenlijk best een leuk idee. We zouden elkaar rond een uur of twaalf ontmoeten voor de ingang.

Het zou ongeveer een uur rijden zijn naar Boedapest, maar dat soort dingen ken ik. Naar een stad toegaan is een ding, erin rondrijden is een tweede. Het was dat Rach me vertelde dat je vlak bij de dierentuin ook kon parkeren, anders had ik overwogen de auto aan de rand neer te zetten. Maar om dan met het openbaar vervoer verder te gaan, uit te moeten zoeken welke tram, bus, trolleybus of metrolijn naar de dierentuin ging en dat dan te regelen met onze vijf woorden hongaars (Jo napod. Nem sjabod! Etterem? Igem? Nem?) leek me ook niet ideaal. Niet met twee stuiterende kindertjes die dan maar blijven vragen waar de dierentuin is, zijn we er nu al, wanneer zijn we nu bij de dierentuin, mama?

Ik wilde om tien uur in de auto zitten. Dan hadden we in Boedapest zelf nog een uur de tijd om de weg te vinden.

"Ik neem aan dat jullie gps en internet hebben?" had Rach heel optimistisch ge-sms'd. Nee dus. Het navigatiesysteem in Thea's auto had alleen kaarten van west-Europa en voorbij de grens van Oostenrijk reed je dus van de kaart af. De ipads hebben alleen wifi-mogelijkheid en ik geloof dat ze draadloos internet nog niet hebben uitgevonden in Hongarije.

Nee hoor, gewoon ouderwets kaartlezen, had ik terug gestuurd. Er lag een - zij het beperkte - kaart van Boedapest in het huisje.
Het nadeel hiervan was dat a) de kaart wel érg beperkt was en alleen het uiterste centrum liet zien, en b) dat de hongaarse regering in haar oneindige wijsheid vorig jaar of zo een hele reeks straten, lanen en pleinen van andere namen heeft voorzien.

Kortom, na een uur rondjes rijden in mooi maar druk druk druk Boedapest vonden we eindelijk het Heldenplein. Hier vlakbij moest de dierentuin zijn. Hoera. Nu moesten we alleen de auto nog zien te parkeren.

Dat was ook nog niet zo eenvoudig. Parkeren in het hartje van een grote stad is altijd al lastig, maar het hongaarse systeem (welk? Precies) maakte het er niet leuker op. Een bordje dat moest verwijzen naar een parkeergarage deed dat inderdaad - naar de uitrit, om precies te zijn. Een mooi bordje met een rode streep erop maakte ons duidelijk dat we hier niet in mochten rijden. En ook niet verder de straat in, trouwens. Groningen is er niets bij!

We vonden een parkeerplaat vlak bij het park dat achter het Heldenplein ligt. Nu is de Hongaarse manier om een auto te parkeren heel simpel: is er een gaatje, dan gooi je je auto neer. Zo niet, dan blijf je net zolang rondrijden totdat er een gaatje ontstaat, en dan, hop.

Maar nu hadden we eindelijk geluk. Een auto stond op het punt te vertrekken. Haha! Ik stond in de startblokken. Een andere hongaar, die achteruit zou moeten inparkeren, zag mij kijken en maakte zich ook al klaar voor een verrassingsactie. Maar ik ben niet voor niets opgegroeid in Amsterdam!

"Snel, stap uit!" zei ik tegen Harald. Gelukkig is mijn knuf ook snel van begrip. Hij dook de auto uit terwijl de ander uitparkeerde, en toen de ander zich klaarmaakte om er snel in te schieten, deed Harald twee stappen opzij en ik deed vroem. Hop, en ik stond. Teleurgesteld Hongaartje.

Nu moesten we alleen nog de ingang van de dierentuin zien te vinden...

Daarop volgde een van die telefoongesprekken die je tegenwoordig overal kunt horen. "Hallo? Ja, met mij! Hoor 'ns, we staan nu op het plein, dat plein met al die paarden, ja. Ben jij nog steeds bij- Ja, bij de ingang, ja? Okee, mooi. Hoe komen we daar? Ja? Ja, bij het bruggetje, ik zie 'm. En dan... Ja, ja... Okee, dan zien we je zo!"

We liepen dus naar het bruggetje toe, hielden links aan, liepen langs de vijver en zagen toen de ingang van de dierentuin, en Rach. We kochten kaartjes en gingen naar binnen.

"Okee, wat gaan we als eerste doen?"

"Wat drinken," zei ik gedecideerd. "Ik stik van de dorst."

We zochten het dichtstbijzijndse restaurant op en gingen naar binnen. Lange rijen mensen stonden voor de kassa, in zo'n zelfbedieningsrij. We passeerden de niet echt appetijtelijk uitziende warme maaltijden en gingen rechtstreeks op het drinken af. Een cola, groot, alstublieft dankuwel. Bestellen ging extreemm vlot, met Rach erbij.

We wisten een plek op het terras te vinden en gingen eerst de ergste dorst lessen. De kinderen stuiterden rond over het terras en in de buurt, terwijl wij een beetje bijkletsten. Het is echt alweer veel te lang geleden dat ik Rach gezien heb.

Toen we het drinken ophadden, gingen we de dierentuin verder verkennen. Er bleek een zeehondenshow te zijn, die wilden we straks natuurlijk wel even bekijken. We zagen een klein stukje ijsbeer, de rest van het dier was aan het schuilen voor de hitte - vandaag was toevallig wel een van de warme dagen die Boedapest hoort te hebben, deze tijd van het jaar.

De meiden vonden de apen wel leuk, maar het klimrek er vlakbij nog veel leuker. Volgens mij vonden de apen het minstens zo grappig om naar die onhandig klimmende kleine mensen te kijken als omgekeerd.

Apenspel
De kindjes hangen als apen aan een touw

Verder waren er natuurlijk de typische dierentuindieren: het apenhuis, vogels, olifanten, giraffen, de roofdieren. Er waren ook onlangs kleine tijgertjes geboren. De twee jonkies waren lekker met elkaar aan het spelen en kropen over mama heen, die het even geduldig aanzag en uiteindelijk maar opstond en een eindje verder ging liggen. Het waren schattige kleine wolletjes – nou ja, klein, alles is relatief, natuurlijk – en ze zagen er heel knuffelbaar uit. Maar ondertussen maakte ik me ongerust over mijn eigen zwart-witte wolletje, thuis: die middag zou onze kattenoppas naar de dierenarts gaan met Sterne en ik wachtte dus in spanning op een bericht.

Ondertussen was het tijd voor de zeehondenshow. We staakten onze zoektocht naar het aquarium en gingen de zeehonden bekijken. Het was daar druk en natuurlijk begonnen ze te laat. Esther zat op mijn schouder te hangen.

Maar toen begon de show. Ondertiteling voor toeristen was er ook deze keer niet bij, maar het gepraat interesseerde ons toch niet. De zeehonden deden met heel veel pret hun kunstjes: ballen gooien en balanceren, met sierlijke sprongen het water in duiken en door hoepels springen enzovoorts. Vooral Esther vond het helemaal geweldig, met haar zeedierenliefde.

Na de show maakten we nog een korte wandeling door de dierentuin, maar het was duidelijk dat de meiden er genoeg van hadden. Wel kochten we nog iets wat volgens Rach een typisch Boedapestiaanse lekkernij was: een soort van koker van deeg, gerold in suiker. Het spul was net vers gemaakt en nog gloeiend heet, maar het was erg lekker. Ik kon me met geen mogelijkheid meer herinneren hoe die dingen heten, en probeer dat maar eens te zoeken dan op internet… "Traditioneel hongaars zoetigheid" Nee. "Deeg stok Boedapest". Nee. Afbeeldingen van deze zoekterm? Nee. Wacht. Ja! Website openen. Zoeken. Gevonden? Jaaah. Het heet dus 'Kürtőskalács', mocht je het op willen zoeken. Nee, hoe je dat ook weer uitspreekt zou ik absoluut niet meer weten.

Kürtőskalács
En zo ziet het spul eruit…

Na de internetzoektocht was ik eigenlijk wel benieuwd of we dat spul zelf ook zouden kunnen maken, dus ach, als je dan toch aan het googelen bent: Kürtőskalács recept.

Ja hoor, hoop hits. In het Hongaars.

Had ik je al verteld over het al dan niet leren van die taal? Lang leve de optie 'Alleen in het Nederlands zoeken'. Ik denk niet dat we het spul zelf snel willen gaan proberen te maken – maar ik ben allang blij dat ze het hier niet verkopen. Ik voel me nu al schuldig dat ik veel te weinig beweeg!

Al knabbelend liepen we verder en vonden een speeltuin waar de meiden zich heerlijk konden vermaken. Terwijl zij speelden, overlegden wij wat we verder nog konden doen. We besloten terug te gaan naar de auto, naar de Citadel te gaan die aan de andere kant van de rivier lag – aan de kant van Boeda, dus. Het was nu maar wat handig dat we een gids bij ons hadden die de stad op haar duimpje kende. We staken de rivier over, reden door een drukke winkelstraat, maakten een scherpe bocht of twee en toen ging de weg steil omhoog, de heuvel op.

De Citadel. Stel je hier niet een klein kasteeltje bij voor ter grootte van, zeg, het Muiderslot, of de ruïne van Valkenburg. Nuh. Ik denk dat heel het centrum van Valkenburg wel binnen de muren van de citadel zou passen. Ontzettend jammer dat we hier niet een dagje konden ronddwalen! Maar we zwierven hier een uurtje of wat rond, genoten van het uitzicht over de rivier en de stad – omdat het op een heuvel ligt, heb je vanaf de citadel een waanzinnig uitzicht. Daarna aten we hier een hapje en gingen langzamerhand eens terug.

Maar er waren nog een paar dingen waar Harald traditioneel naar zoekt wanneer we op vakantie zijn, zoals een kookboek en – het zal niet – een pet. Het eerste bleek niet zo moeilijk te vinden te zijn, het eerste het beste wat toeristisch aandoend winkeltje wat we zagen bleek een aantal best aardige petten te hebben.

Aan een kookboek, althans een die niet in het Hongaars was geschreven, was wat moeilijker te komen. Totdat we, alweer op weg terug naar de auto met twee ondertussen behoorlijk vermoeide en hangerige kindertjes, stuitten op het enige engelse tweedehands boekwinkeltje dat Boeda rijk was. (Aan de kant van Pest schijnt er nog een te zitten, hoorden we van de verkoper.) Links uit de flank, hop, naar binnen! Ja, sorry, maar dat is nou net mijn snuffelzwakte.

Tien minuten later kwam ik triomfantelijk grijnzend met vier boeken naar buiten. Harald was ook blij, want hij had hier het door hem gewenste kookboek gevonden.

En daarmee was het tijd om afscheid te nemen van Rach en van de stad. Absoluut een stad om nog eens in terug te komen, maar dan met meisjes die een stuk ouder zijn, of gewoon, alleen met knuf erbij. We zien nog wel…