Home

Shadowdancer's reflecties

De ukkie verhalen
aantekeningen over de kinderen

De vakantieverhalen
Avonturen op vakantie

Priet en andere praat

Foto's

Contact

Naar de wereld der dromen

Zon en Maan

Maandag 21-01: Afscheid

En toen kwam vannacht, dan toch, het telefoontje dat je nooit wil krijgen. Mijn moeder. Ik lag behoorlijk diep te slapen, hoorde mijn telefoon, dacht eerst dat het de wekker was, zag toen hoe laat het was en besefte dat het mijn mobiel was. Het was tien voor half vier 's nachts.

Mijn moeder. Ze was net gebeld door het ziekenhuis dat het erg slecht met Romy ging. Ze zou me op komen pikken. Harald draaide zich om toen ik mijn bed uit stuiterde. "Ik heb het gehoord," zei hij.

Haastig schoot ik wat kleren aan en ging beneden zitten wachten. Buiten sneeuwde het, nog steeds. De avond ervoor was ik niet eens bij Romy op bezoek geweest. Gisterenochtend wel. We hadden met mijn schoonouders in Castricum afgesproken en gingen eerst met ons vieren naar het ziekenhuis, even met ons allen bij mijn vader op bezoek. Wat ben ik blij dat we dat nog hebben gedaan!

Gisterenmiddag begon het vreselijk te sneeuwen en we zijn met een slakkengang terug naar huis gereden. Al met al hebben we er ruim twee uur over gedaan. We waren nog op weg naar huis toen mijn moeder belde, met de vraag of we nog naar het ziekenhuis waren geweest, en we vertelden dat we nog onderweg waren zelfs.

Nou, Thea was gelukkig – vond ik toen – ook niet gegaan. Ze had wel naar het ziekenhuis gebeld en gehoord dat het toen nog goed met hem ging, de verpleegster zei dat hij grapjes gemaakt had en nu naar de televisie keek. Ik was blij dat mijn moeder ook niet aan het rijden was, het was ontzettend glad buiten.

Ik kon niet blijven zitten wachten, beneden. Ook al wist ik dat ook Thea zich nog eerst moest aankleden en daarna heel voorzichtig deze kant op moest rijden, ik kon gewoon niet blijven zitten. Dus ben ik naar buiten gegaan en door de stille, besneeuwde nacht langs de Parkwijklaan gewandeld, tot bij de rotonde bij het Parkhurst. Het was doodstil buiten. Een eenzame man reed rond met de sneeuwschuiver om de fietspaden vrij te maken, verder zag ik een of twee auto's langs rijden.

Daar kwam eindelijk mijn moeder. "Hij is vast al dood als we daar aan komen," zei ze. "Ik kom altijd te laat." Tja, wat moet je daar nou op zeggen? Ik hoopte nog, tegen beter weten in. Je weet wel, toch zo'n stiekeme wens dat ze je nog even opbellen vanuit het ziekenhuis met een: "Het was loos alarm, het gaat nu weer wat beter." Natuurlijk gebeurde dat niet.

We kwamen aan – ik bedacht nog op tijd om Thea eraan te helpen herinneren dat we de auto moesten neerzetten bij de nachtingang, de spoedeisende hulp. Mijn moeder zette de auto voor de deur en we gingen gehaast naar binnen. De nachtportier vroeg waar we voor kwamen. "We moeten met spoed naar mijn vader, meneer Palmas, longafdeling."

De man deed de deur voor ons open. "Weet u de weg?"

"Ja, weten we, bedankt!" Ik had ondertussen al de snelste weg bedacht. Naar de eerste verdieping, langs de IC, naar de lift aan de andere kant van die gang, dan naar de derde verdieping. Daar stonden we voor een dichte deur.

'Na 21.30 uur bellen,' hing er op de deur geplakt. Bel, waar bel, daar bel, bel. Lampje op bel ging branden. Wachten. Leek eindeloos te duren, was natuurlijk misschien een minuut. Een verpleegster deed open. "Ik ga zo de dokter halen."

Wij hadden natuurlijk maar twee vragen: leeft hij nog, en mogen we naar hem toe? Ze ontweek het een beetje, zei uiteindelijk dat hij "Daarnet nog wel" leefde, maar herhaalde dat ze de arts zou halen en dirigeerde ons naar de familiekamer.

Wat drinken pakken. Er stond een automaat. Er stonden geen bekertjes. Valt er bij dit apparaat dan wel bekertjes eruit? Ik selecteerde wat drinken, drukte op de knop. Helaas, er viel geen bekertje uit en dus stroomde de vloeistof vrolijk in het lekbakje en spetterde over de tafel. De verpleegster bracht extra bekertjes. Goed, nieuwe poging. Cappuchino met suiker voor Thea, wiener melange (waar ik de suiker in vergat te doen) voor mij. Weer wachten. Eindelijk kwam de arts. En die vertelde meteen wat we eigenlijk al wisten. "Helaas moet ik u vertellen dat…"

Vervolg: Erna...