Home

Shadowdancer's reflecties

De ukkie verhalen
aantekeningen over de kinderen

De vakantieverhalen
Avonturen op vakantie

Priet en andere praat

Foto's

Contact

Naar de wereld der dromen

Zon en Maan

Maandag 10-12: 56 dagen

Vandaag gaf een dokter eindelijk het verlossende woord: morgen gaat Romy van de IC af, naar een andere afdeling. Hij heeft dan 56 dagen op de IC gelegen. De dokter noemde nog wat getallen. 40 röntgenfoto's van zijn longen. 8 bronchoscopieën. Acht weken.

Acht weken tussen hoop en vrees. Zeker in het begin elke dag leven met onzekerheid. Gaat mijn vader het halen? Weet hij nog een een keer een wonder tevoorschijn te toveren? Bewijst hij nog een keer italiaans onkruid te zijn, "Niet kapoet te krijgen"?

Ja.

Ritulen

Zinloze rituelen. Dat zijn van die dingen die naar de achtergrond dreigen te verdwijnen, de herinneringen hieraan, in die zware dagen en weken tussen hoop en vrees. Dat ik pas na twaalf uur wilde gaan slapen, want dan wist ik zeker dat mijn vader die dag in elk geval niet was doodgegaan. Stomme kaartspelletjes spelen op m'n ipod en – terwijl ik weet dat het volkomen irrationeel is – toch denken dat als ik maar vaak genoeg win, dat ook betekent dat mijn vader gaat 'winnen'.

Of de kaars die een goede vriendin had gebracht toen het zo slecht met mijn vader ging. Ze was speciaal even hierheen gekomen om de kaars en een lieve kaart te geven. Ik heb die eerste dagen elke avond de kaars gebrand. En wanneer ik naar boven ging, blies ik de kaars niet uit, maar gebruikte een kaarsendover.

Stom? Natuurlijk, stom. Ik zei al, zinloze rituelen. Maar toch, als je niets anders hebt om je aan vast te klampen, als je maar moet afwachten en toezien, dan zijn zelfs zinloze rituelen iets om enig houvast aan te krijgen.

Voordat ze verdwijnen

Van die dingen die je bijblijven, ook. Eerst drong de ernst van de situatie nauwelijks tot ons door. De eerste paar dagen gingen we ervan uit dat het minder heftig was dan de vorige keer dat mijn vader op de IC had gelegen, omdat we er nu eerder bij waren – hij was deze keer namelijk niet eerst naar de longafdeling gegaan om daar ineens weg te vallen. Nee, wist ik veel, hij was met een ambulance met loeiende sirene naar het ziekenhuis gebracht en daarna meteen de shock room in gegaan. Nooit geweten dat er een shock room was hier. (Heb ik ooit wel 'ns van een shock room gehoord? Ik geloof niet dat ik er ooit bij stil gestaan heb in elk geval.)

In elk geval dachten Thea en ik eerst nog heel optimistisch dat mijn vader misschien een stuk korter op de IC zou blijven nu, dat hij na een paar dagen wel weer naar een andere afdeling zou mogen. Maar langzamerhand ging het steeds slechter met hem in plaats van beter. Pas tegen het weekend drong de ernst van de zaak echt tot ons door, toen bleek dat de artsen echt tegen het einde van hun opties aan zaten en dat het leven van mijn vader aan een zijden draadje hing. Een heel broos, heel dun zijden draadje. Dan schrik je wel even.

En dan begint het wachten weer. De angstige spanning van 'komt dan toch dat ene gesprek met de arts?'. Want dat weekend hadden we een gesprek gehad waarin ze vertelden dat ze met de rug tegen de muur stonden, dat de buikligging waar mijn vader ondertussen in was gelegd de laatste optie was die ze nog over hadden, en dat ze nu in feite alleen maar tijd aan het rekken waren en hoopten dat zijn lichaam zou gaan herstellen.

We hebben tijdens dat gesprek aangegeven, mijn moeder en ik, dat we absoluut niet wilden dat mijn vader zou lijden. Het was ook verschrikkelijk moeilijk om hem zo te zien, met allerlei infusen, slangen en lijnen, sondevoeding, diepe lijn, dialyselijn enzovoorts. Natuurlijk werd hij in een kunstmatig coma gehouden (eufemistisch 'in slaap gehouden' genoemd), maar dan nog, we wilden niet dat hij ten koste van alles in leven zou worden gehouden.

De artsen verzekerden ons dat dàt niet het geval was. Ze vochten alleen zolang er nog een kans was dat iemand eruit zou komen. Als dat niet het geval was, zeiden ze, dan zou het een ander soort gesprek worden.

En dat werd het gesprek waar we voor vreesden. Maar de dagen gingen voorbij, zondag, maandag, dinsdag, en dat ene gesprek kwam niet. En toen, na nog een week zweven, begon er langzamerhand verbetering te komen. Wat een opluchting! Maar we waren er nog lang niet…

Dan was er nog de hartstilstand. Natuurlijk net de eerste keer sinds mijn vader de IC in ging dat ik niet op bezoek was. Mijn moeder belde op en ik geloof dat ik nog nooit zo snel naar het ziekenhuis gefietst ben. Laag vliegen, was dat. En natuurlijk de herinneringen die dan door je hoofd spelen, scherpe herinneringen toch nog aan een nacht, bijna vijftien jaar geleden, dat mijn moeder een dergelijk telefoontje kreeg van hààr moeder.

Opa overleefde het toen niet. Romy had meer geluk, een ICD en de IC, en overleefde het wel. Een paar uur later waren de waarden van alle monitors weer bijna net zo stabiel als voor de hartstilstand. De hartslag van mijn moeder en mij deed er aanzienlijk langer over om weer tot rust te komen.

Geluiden

Alle piepjes en bliepjes van de IC. We leerden ze goed kennen in die weken. De biepjes van de monitor, voor hartslag, ademhalingsvolume, saturatie. Het gepiep van de pomp van de sondevoeding. De bliepbliep van het dialyse-apparaat, wanneer de zak met uitgefilterd vocht vol was en moest worden vervangen. Een ander soort gepiep wanneer een pomp met medicatie leeg was en vervangen moest worden.

Het was zelfs zo erg dat toen Harald en ik een keer een avond bij de McDonalds gingen eten – mijn vader lag al een week in het ziekenhuis en de meisjes logeerden bij Harald's ouders – ik bijna helemaal verstijfde omdat er gepiep uit de keuken kwam en ik om me heen wilde kijken om te zien welk apparaat dat nou weer was. Puur uit een reflex.

Gelukkig is, naarmate de hoeveelheid medicijnen en andere apparatuur werd afgebouwd, die reflex ook weer verdwenen.