Home

De ukkie verhalen
aantekeningen over de kinderen

De vakantieverhalen
Avonturen op vakantie

Priet en andere praat

Foto's

Contact

Naar de wereld der dromen

2014

2013

2012

2011

2010

2009

2008

2007

2006

2005

2003-2004

Kindergedichtjes

Zon en Maan

Maandag 19-05: Boem is ho…

En zo snel is het gebeurd. Hop, en daar sta je.

Ik heb het verhaal inmiddels zovaak verteld, zovaak teruggehaald in mijn geheugen… Het gaat heel snel, maar op het moment zelf lijkt het eindeloos te duren…

Ik was op weg naar Gwenn. We zouden naar de Star Wars expositie in Brussel gaan – haar verjaardagscadeautje aan mij. (Mijn verjaardagscadeau aan Gwenn was een dik boek van Roger Zelazny – Gwenn is begin juni jarig).

Om op tijd in Brussel te zijn, was ik al vroeg vertrokken, om kwart over acht zat ik in de auto. Sterne was met me mee naar buiten gelopen en ik keek goed uit dat ik niet over hem heen reed. Plattepoes niet goed. Ik zag Sterne onder een geparkeerde auto verdwijnen en heel even bekroop me het gevoel dat dit de laatste keer was dat ik iedereen zag. Raar gevoel! Ik gaf katjes, kindertjes en knuf in gedachten een kusje en schudde het gevoel van me af. Pas ruim nadat het ongeluk gebeurd was dacht ik hier weer aan terug.

Het weer was niet best, motregen, flinke bui, daarna weer een druilregentje. Heel anders dan het mooie weer van de afgelopen weken. Maar ik zat lekker droog en de reis verliep voorspoedig.

Zoals gebruikelijk nam ik even een pauze bij de grens. Wat drinken, hapje eten en weer door. Vanaf hier moest ik weer gaan opletten, want ik rijd deze route niet dagelijks en ik heb geen Tomtomtidom. Niet dat dat veel uitmaakt, ik kan kaartlezen en ik kom altijd overal waar ik zijn wil.

Naar Antwerpen. Van daaruit Gent aanhouden. Daarna Brussel aanhouden…

En daar bij Gent gebeurde het. Op de oprit naar de E40, in een bocht.

Het regende weer en ineens verscherpte de bocht. Ik nam gas terug – en ineens begon de auto weg te glijden. "Oh shit, daar heb je het al," flitste door me heen. De vangrail aan de linkerkant – de binnenkant van de bocht – kwam dichterbij… daar raakte ik 'm al… ik schampte er langs.

In een flits probeerde ik me te herinneren wat ik moest doen – niet vol op de rem gaan staan, meesturen? Maar ondertussen schoof de auto nog steeds, sturen had geen zin meer en de betonnen vangrail van de buitenbocht kwam recht op me af. "Daar ga ik," dacht ik – en boem.

De auto rolde achteruit terug, van de vluchtstrook af en weer terug op de rijbaan. Er kwamen geen auto's aan. En ik was er nog steeds. Snel nam ik de situatie op, zette de motor uit. Er kwam rook uit. Ik probeerde weer te starten om naar de vluchtstrook toe te komen. De auto startte nog, na wat gereutel en gehoest sprong de motor aan. Maar er kwam nog steeds rook uit de auto en dat leek me te gevaarlijk. Ik zette alles weer af en stapte uit. Snelle controle: niets gebroken, geen tintelingen, geen hoofdpijn. Alles in orde. Nu de auto nog bekijken.

Die was er aanmerkelijk minder goed vanaf gekomen: de voorkant had de klap opgevangen. De koplampen waren vernield, de bumper zat onder de motorkap in plaats van schuin ervoor, de motorkap stond een beetje open, de ventilator had een flinke tik gekregen. Ook onder de auto hingen wat dingen los. De rook was inmiddels wel gestopt.

Belangrijke dingen eerst. Ik begon in de kofferbak te zoeken naar de gevarendriehoek. Ondertussen waren er andere auto's gestopt, bestuurders op me af gelopen. Zeg nog 'ns dat mensen niet meer aardig zijn voor elkaar! "Gaat het? Is alles in orde? Ik heb de politie al gebeld."

Een van de bestuurders, een vrouw met donker, krullend haar (dat is het enige wat ik van haar onthouden heb) hielp me de gevarendriehoek uit te klappen en een andere bestuurder zette die een eind terug in de bocht neer, en bleef erbij staan om andere auto's te waarschuwen. Een hoop van die andere auto's die nu de bocht doorkwamen reden overigens een stuk harder dan ik had gedaan!

Ik nam de verdere schade op. Ja, hier had ik de vangrail geraakt – een klein extra bochtje in de rails met wat rood. En hier de betonnen muur: een grote veeg rood verkondigde daar luid en duidelijk "Rebecca was here". Naderhand had ik nog serieus de neiging om dat met potlood erbij te schrijven, maar op dat moment was de politie al gearriveerd en ik betwijfel of die dat konden waarderen.

Maar voordat dat allemaal gebeurde waren er nog een hoop andere dingen die ik moest regelen. Eerst Harald bellen.
Er is eigenlijk geen goede manier om zulk nieuws te brengen. Meteen maar van wal steken met "Knuf, ik heb een ongeluk gehad met de auto. Ik ben zelf helemaal in orde. De auto niet."

Daarna legde ik uit wat er gebeurd was. Harald is gelukkig ook iemand die het hoofd koel houdt en begon meteen wat telefoonnummers en dergelijke op te zoeken. Ik beloofde terug te bellen, of hij beloofde terug te bellen – in elk geval, we hielden contact.

Volgend telefoontje: Gwenn en Kim. "Ja, sorry, er is wat vertraging opgetreden… bla bla, ongeluk. Dus twaalf uur in Brussel wordt wat lastig." Zij boden meteen aan naar me toe te komen, een aanbod dat ik dankbaar aan nam.
De belangrijkste telefoontjes waren afgehandeld (ik wist wel zeker dat Harald mijn ouders zou bellen). Nu kon ik naar een van de mensen lopen die bij me was gebleven en die nu bij de gevarendriehoek stond, met lichtreflecterend hesje aan. Hij vroeg me of ik die ook niet had, want dat was in België verplicht.

Tja. Nee, een gevarendriehoek had ik wel. Nee, aan zo'n hesje kopen was ik nooit toegekomen. Volgens mij werd dat in Nederland alleen geadviseerd.

Pas lang nadat de man al vertrokken was, toen de auto op de sleepwagen stond en ik de achterklep nogmaals open maakte om mijn tas eruit te halen, zag ik het noodkoffertje in de auto waarin – ja, natuurlijk – ook zo'n reflecterend hesje zat. Maar op dat moment had ik er niets meer aan.

We stonden naast elkaar, auto's manend hun snelheid te matigen en ze wijzend dat ze naar de vluchtstrook moesten. Na een poosje, twintig minuten of daaromtrent, kwam de politie.

Ze vroegen me of het nog lukte m'n auto op de vluchtstrook te zetten. Ja, dat lukte, hoewel met moeite omdat op de een of andere manier m'n auto in het stuurslot zat. Gelukkig wist ik nog hoe ik 'm daaruit moest krijgen. Stuur draaien, sleutel draaien – ja. De motor sloeg nog een keertje hoestend en reutelend aan en m'n autotje hobbelde de laatste meters naar de vluchtstrook. Opnieuw kringelde er een sliertje rook onder de motorkap vandaan. Toen ik de sleutel weer uit het contact haalde, zag ik dat ook de stuurkolom ontzet was.

Daarna liet ik aan de politie zien wat er gebeurd was. Kijk, hier de vangrail geraakt – hier waren sporen rood en dus was dit deukje van mij. Die rode streep daar ook. Een hoop andere vegen op de betonnen muur en een paar andere deukjes in de vangrail toonden in elk geval duidelijk aan dat ik niet de eerste en de enige was die dit was overkomen.

Rond deze tijd arriveerden ook Gwenn en Kim en de kinderen. Kim hield zich met de politie bezig, de man die nog bij me gebleven was nam nu afscheid en ging er ook vandoor. Ondertussen had Harald terug gebeld en iemand van de alarmcentrale ook. Thea was naar Harald toe om te helpen met de kinderen.

Nu ging het snel. Iemand had de sleepdienst gebeld. Kim liep even terug, het verzekeringsbewijs dat ik had gegeven was niet geldig. Ik gaf Kim gewoon het hele tasje waar alles in zat – in de loop der tijd had ik steeds de nieuwe verzekeringsbewijzen en de keuringsrapporten in mijn mapje met autopapieren gedaan en er, voor alle zekerheid, de oude ook maar ingelaten. Na even rommelen vonden we het goede papiertje en Kim liep weer terug.

De sleepwagen kwam en mijn kleine rode autotje werd op de auto getakeld. Ik haalde de laatste spullen er nog uit en toen reed de auto weg. Zelf stapte ik in de auto van Gwenn en Kim en we reden naar hun huis toe. Het was kwart over twaalf, dit alles had bij elkaar een uur geduurd…